
College mocht niet handhaven om afwijkende dakkapel
Er is regelmatig gedoe over dakkapellen. In deze zaak voldeed een dakkapel volgens het college niet aan de ‘redelijke eisen van welstand’. De rechter stelt de woningeigenaar in het gelijk.
Op een dag ontdekt een gemeentelijke toezichthouder dat aan de achterkant van een woning een dakkapel is geplaatst die afwijkt van de criteria uit de welstandsnota. De woningeigenaar wordt gesommeerd de dakkapel – die er dan al enkele jaren is– af te breken of aan te passen zodat deze voldoet aan de welstandscriteria. Doet de eigenaar dat niet, dan verbeurt hij een dwangsom van € 3.000 per week, met een maximum van € 15.000. De eigenaar legt de kwestie voor aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant.
Handhavend optreden
De welstandsnota en de welstandscriteria vormen een ‘beleidsregel’ uit de Omgevingswet en het Omgevingsplan. Wordt het Omgevingsplan overtreden, dan is het college bevoegd om handhavend op te treden. In het Omgevingsplan staat dat het uiterlijk van een bouwwerk waarvoor géén omgevingsvergunning is vereist, niet in ernstige mate in strijd mag zijn met redelijke eisen van welstand. Er mag geen sprake zijn van een ‘exces’: ‘een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is’. Voor deze dakkapel was geen omgevingsvergunning vereist. De vraag is of handhaven wel evenredig was – dus ‘geschikt, noodzakelijk en evenwichtig’. De voorzieningenrechter moet het besluit van het college toetsen aan deze drie elementen.
Afwijkend
Volgens de woningeigenaar is er geen sprake van een welstandsexces. Het college stelt daartegenover dat geen enkele andere woning in de wijk een dakkapel als deze heeft. Ook de voorzieningenrechter ziet dat de dakkapel ‘afwijkt’: het uiterlijk is anders (de ramen in de dakkapel zijn niet voorzien van dwarsliggende latjes en de afwerking is niet hetzelfde), evenals de positionering en de maten. Desondanks mocht het college, zo stelt de voorzieningenrechter, niet handhavend optreden.
Geen welstandsexces
Immers, het Omgevingsplan biedt alleen de mogelijkheid om op te treden tegen het uiterlijk van bouwwerken, niet tegen de positionering ervan, zo oordeelt de voorzieningenrechter. Verder zijn in de welstandscriteria ten onrechte eisen aan de positionering van dakkapellen gesteld, wat deze beleidsregel kennelijk onredelijk maakt. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd dat de afwijkende positionering van de dakkapel een welstandsexces oplevert. Ook heeft het college onvoldoende onderbouwd waarom het uiterlijk van de dakkapel in ernstige mate in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Niet iedere afwijking is tenslotte een welstandsexces. De woningeigenaar is bereid de dakkapel aan te passen waardoor het uiterlijk nagenoeg hetzelfde is als die van de standaarddakkapel in de welstandscriteria. Dit had het college beter moeten betrekken in het besluit.
Niet evenredig
Tot slot heeft het college onvoldoende onderbouwd waarom handhavend optreden evenredig is. De excessenregeling is gericht op het uiterlijk van bouwwerken, niet op de positionering ervan. Het college had mogen optreden tegen het (huidige) uiterlijk van de dakkapel maar had wel moeten onderbouwen waarom het noodzakelijk en evenwichtig is om een verwijdering of aanpassing te verlangen die verder gaat dan de door de woningeigenaar voorgestelde aanpassing.
Vernietigen
Alles overziende kan de voorzieningenrechter niet anders dan het besluit vernietigen. Het college kan een nieuw besluit nemen over de dakkapel, en moet daarbij rekening houden met wat de voorzieningenrechter in deze uitspraak heeft overwogen. De dwangsom wordt geschorst.